Valentin VAERWYCK, architect

 

 

 

Geboren op 3 maart 1882 te Gent en er overleden op 27 november 1959. Hij was de zoon van Henricus Léopoldus, architect, en van Celina Maria De Backer, huisvrouw. Hij huwde op 1 augustus 1914 met Irma Alexandre, zonder beroep, uit Brugge. Hij stierf kinderloos. Broer van Gabrielle (1885-1944) en van Rosa (1887-1966), kunstschilderes.

Als zoon van een talentvol architect, betoonde Valentin reeds op jonge leeftijd grote interesse voor dat vak. Hij vatte in 1898 architectuurstudies aan het Sint-Lucasinstituut in Gent aan en behaalde er in 1905 zijn diploma van architect. Van zijn tweede jaar af werd hij door architect Etienne Mortier (1857-1934) aangenomen als stagiair, wat hij gedurende zes jaar is gebleven. Ondertussen hielp hij ook zijn vader in zijn drukke praktijk en nam hij daarenboven deel aan talrijke architectuurwedstrijden. Samen met zijn vader werkte hij aan de volgende kerken in Oost-Vlaanderen : Sint-Gertrudiskerk in Appelterre (Ninove), Sint-Martinuskerk in Massemen (Wetteren, Sint-Denijskerk in Sint-Denijs-Boekel (Zwalm), Sint-Pieterskerk in Schorisse (Maarkedal), Sint-Gilliskerk in Sint-Gillis-Dendermonde, Sint-Michielskerk in Sint-Lievens-Houtem, Sint-Martinuskerk in Westrem (Wetteren), Sint-Martinuskerk in Zomergem, O.-L.-Vrouwekerk in Dendermonde, Sint-Stefanuskerk in Gent, Sint-Martinuskerk in Oombergen (Zottegem), Sint-Gislenuskerk in Waarschoot, Sint-Pauluskerk in Sint-Pauwels (Sint-Gillis-Waas), Sint-Gilliskerk in Dendermonde. Ook burgerlijke gebouwen ontwierpen of restaureerden ze samen : de pastorie van Waarschoot, de dienstgebouwen van het kasteel van Schuelen in Limburg, de dienstgebouwen van het landhuis van baron de la Faille d'Huysse op de Betsberg in Deurle (Sint-Martens-Latem), de directeurswoning van het Sint-Jan-de-Deorusthuis in Gent, een burgerhuis in de Borluutstraat in Gent, het Predikherenhof van de familie van Pottelberghe de la Potterie in Zwijnaarde.

Valentin Vaerwyck deed met succes mee aan talrijke architectuurwedstrijden. In 1900 schreef het stadsbestuur van Brugge een wedstrijd uit om gevels te ontwikkelen buiten de historische stadskern. Vaerwyck stuurde drie ontwerpen in (elfde en twaalfde categorie) die elk een eerste prijs behaalden. In de zomer van 1902 kreeg hij een eervolle vermelding met zijn ontwerpen voor landelijke villa's in een wedstrijd uitgeschreven door de promotiemaatschappij van Westende-Bad. In 1903 kreeg Vaerwyck de eerste prijs met zijn ontwerp voor een kleine landelijke kerk, dat hij inzond voor de architectuurwedstrijd van het Bulletin des Métiers d'Art. Zijn ontwerp werd in 1906 uitgevoerd in Châtelet-Boubier in de provincie Henegouwen. Ook zijn ontwerp voor een grotere kerk, in 1905 gevraagd door hetzelfde Bulletin, won de eerste prijs en alweer werd het uitgevoerd, namelijk in Marcinelle. In 1905 werd zijn ontwerp voor het “Vredespaleis” in Den Haag (Nederland), ingezonden voor de internationale architectuurwedstrijd van de filantropische “Carnegie-Stichting”, bij de 44 besten geklasseerd en gepubliceerd in het prestigieuze platenalbum van de Stichting. Een tweede prijs behaalde Vaerwyck in 1909 in de wedstrijd uitgeschreven door de Fédération des Associations Commerciales et Industrielles de Belgique voor de oprichting van een gedenkteken in Antwerpen ter ere van baron Lambermont. Het beeldhouwwerk was van Geo Verbanck. In de internationale wedstrijd voor een gedenkteken ter herinnering aan de stichting van de Fondation de la Télégraphie Universelle , in 1911 in de Zwitserse hoofdstad Bern op te richten, behaalde Vaerwyck samen met beeldhouwer Alois De Beule de derde prijs.

Tijdens zijn zesde jaar architectuur in 1904 maakte Valentin Vaerwyck een grondige historische en archeologische studie van het vervallen Kinderen-Alynshospitaal van 1363 aan de Kraanlei in Gent. Hij tekende op eigen initiatief de restauratieplannen en zou zijn hele leven lang blijven ijveren voor de effectieve restauratie van dat monument. Pas op het einde van de jaren 1950 werd de restauratie aangevat en in 1962, na Vaerwycks dood, voltooid.

De restauratie van de toren van het belfort in Gent, in 1910 ontworpen en in 1913 voltooid, betekende voor Vaerwyck het begin van zijn roem als ontwerper en als restaurateur. Hij ontwierp ook de architectuur van het monument van de gebroeders Van Eyck op het pleintje voor het Geraard de Duivelsteen, waarvoor Geo Verbanck de beelden maakte. Beide realisaties stonden in functie van de massale toeloop naar l'Exposition Universelle et Internationale de Gand, 1913. Vaerwyck ontwierp voor die Wereldtentoonstelling de miniatuurstad “Oud-Vlaendren” waarin de meest karakteristieke 16 de - en 17 de -eeuwse gevels van gebouwen uit Frans-, Oost- en West-Vlaanderen, Henegouwen en Zeeland tot een schilderachtig geheel werden gereconstrueerd aan de hand van opmetingen die hij zelf had uitgevoerd. Oud-Vlaendren was een van de hoogtepunten van de Wereldtentoonstelling. Voor het “Modern Dorp” op de Wereldtentoonstelling ontwierp Vaerwyck ook nog de kerk, het gemeentehuis en het huis A. Mélotte. Als officiële beloning kreeg hij in 1921 twee eretitels : die van ridder in de Kroonorde en die van ridder in de Leopoldsorde.

Na afloop van de Wereldtentoonstelling kocht Vaerwyck zich een stuk bouwgrond op de vrijgekomen terreinen aan de Sterre, waarop hij in 1914 de bouw van zijn woonhuis “Eigen Heerd” startte. Het beeldhouwwerk in het halfcirkelvormig portaal is van zijn vriend en buurman Geo Verbanck.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog week Vaerwyck met heel zijn familie uit naar Engeland. Ongetwijfeld heeft hij daar een voorliefde opgedaan voor de Engelse cottages. De sfeer van die cottages komt heel duidelijk tot uiting in de villaatjes die hij in de jaren 1920 bouwde in de “Concessie van De Haan-aan-Zee”, onder meer in de buitenverblijven voor zichzelf (Villa Zonnewijzer) en voor zijn beste vrienden, Oscar Sinia (Villa Rusthave), Isidoor Blancquart (Villa Zeemeermin) en René De Cramer (Villa Stella Maris en Sauvegarde) aan de Rembrandtlaan. Het waren evenwel geen nabootsingen van de Anglo-Normandische stijl, maar persoonlijke interpretaties ervan, verrijkt met elementen van de traditionele Vlaamse landelijke bouwstijl.

Na de Eerste Wereldoorlog kreeg Vaerwyck vrijwel onmiddellijk te maken met een stroom van opdrachten. Zowel dossiers om oorlogsschade te herstellen als ontwerpen voor monumenten ter nagedachtenis van de plaatselijke oorlogsslachtoffers werden hem toevertrouwd. In Gent vatte men in 1919 het plan op om één groot herdenkingsmonument te bouwen en daarvoor werd Vaerwycks ontwerp om de westtoren van de Sint-Michielkerk te voltooien, uitgekozen. Een ministerieel rondschrijven verhinderde echter de uitvoering van die “Toren van de Zege”.

Oorlogsmonumenten ontwierp hij voor Borsbeke (Herzele), Ronse (samen met Godefried Devreese en Oscar Sinia), Hansbeke (Nevele, samen met Oscar Sinia), Zeebrugge (samen met zijn neef Henri Vaerwyck-Suys en met Oscar Sinia; niet uitgevoerd). Oorlogsschade herstelde hij aan de O.-L.-Vrouwekerk in Dendermonde, de kerk van Sint-Gillis-Dendermonde, de Sint-Martinuskerk, de dekenij en de school van Zomergem, de Sint-Gangulfuskerk in Ronsele, de Sint-Petrus-en-Pauluskerk in Hansbeke, de Sint-Martinuskerk in Oombergen.

Voor de gemeenten Zomergem (192091923) en Uitbergen (1925-1927) bouwde Vaerwyck nieuwe gemeentehuizen, wat hij samen met Joseph Viérin ook deed in Diksmuide. In 1926 bouwde hij een volledig nieuwe abdij voor de paters benedictijnen in Dendermonde.

Op 1 februari 1923 werd Vaerwyck benoemd tot provinciaal architect van de provincie Oost-Vlaanderen, wat hij bleef tot aan zijn pensionering op 3 maart 1947. Daarna bleef hij tot 31 maart 1952 officieel “Raadgever voor Kunstzaken der Provincie”. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was hij tevens Provinciaal Adviseur voor 's Lands Wederopbouw.

Zijn bekendste monumentale gebouwen zijn het Justitiepaleis van Dendermonde (1920-1927), de Provinciale Hogere Arbeidsschool aan de Coupure in Gent (1929), de kerken van de Oude Bareel in Sint-Amandsberg (1932-1933) en van Sint-Pieters-Buiten in Gent (1936-1937), het Sint-Paulusseminarie in Mariakerke bij Gent (1949), het Provinciehuis in Gent in samenwerking met architect Jean Hebbelynck (1945-1960) en het administratief gebouw van de Regie voor Maritiem Transport in Oostende (1956-1957). Samen met Hebbelynck bouwde hij in 1952 ook de Bank van Brussel aan de Kouter in Gent. Datzelfde jaar ook de nieuwe pastorie van de Sint-Jacobsparochie in Gent. Zijn naam zal ook voor altijd verbonden blijven aan de restauratie van het stadhuis van Oudenaarde in de jaren 1950.

Naast opdrachten voor officiële instanties, bouwde Vaerwyck ook heel wat woningen voor particulieren : in De Haan-aan-Zee (Villa La Gloriette, Villa Zonnehuis, Villa Cormoran, Villa Abri St.-Hubert, Villa Ye auld wind dial), in Knokke-Het Zoute (Villa The Wells, Villa Sous tout Vent, Villa Duindistel, Villa Blije Dagen, The Daffodils, Saint-George Palace, Plaza Hotel, Grosvenor Hotel, Hotel Sunset, Hotel The Gulfstream), in Sint-Denijs-Westrem (Villa Wallaghe), in Afsnee, in Deinze, in Sint-Martens-Latem (Villa Good Lie, Villa La Clairière), in Mariakerke (Villa Green Lodge), in Gent, in Watermaal-Bosvoorde.

In de jaren 1920 bouwde hij in Merelbeke, Sint-Amandsberg en in Oostakker kleine tuinwijken voor sociale huisvestingsmaatschappijen. Op de provinciale tentoonstelling “De Goedkoope Woning” van 1929, volledig door Vaerwyck ingericht, toonde hij trouwens modelhuisjes voor zo'n sociale woonwijken.

Van Valentin Vaerwyck zijn, behalve zijn architecturale creaties, ook talrijke tekeningen van historische gebouwen gekend, die hij maakte tijdens zijn talrijke uitstappen en reizen.

In 1936 ontving hij de “Groote Prijs voor Plastische Kunsten” voor zijn volledig oeuvre.

Vaerwyck was lid van de Commissie voor Monumenten en Stadsgezichten van de Stad Gent (1910-1959), van het Oost-Vlaams Comité van Briefwisselende Leden van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen (1920-1934), van de jury voor de Prijs van Rome (1930) en voor de Godecharleprijs (1931), van het Comité Permanent Internationale des Architectes (1933), van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen (lid 1934-1950; ondervoorzitter 1951-1959), van de Diocesane Commissie voor de Gebouwen van de Eredienst (1934-1959), van de Franstalige sectie van de Koninklijke Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België, Klasse der Schone Kunsten (briefwisselend lid, 7 januari 1937; effectief lid, 2 juli 1942), van de Vereniging van Provinciaal Architecten van België (1938).

Voor al zijn verdiensten voor het cultureel erfgoed werd Valentin Vaerwyck in 1956 door de Koning in de adelstand verheven. Van dan af was hij gerechtigd de titel van “ridder” te voeren.

 

Bronnen en literatuur :

DE SMET F., Valentin Vaerwyck, zijn werk , Brussel 1932.
HEBBELYNCK J., Notice sur le Chevalier Valentin Vaerwyck, membre de l'Académie , in «Académie royale de Belgique. Annuaire pour 1961», t. CXXVII, Notices biographiques, Bruxelles 1961, blz. 39-68.
DEMEY A., Valentin Vaerwyck, van Oud-Vlaendren tot nieuw provinciehuis , Gent 1993.
DEMEY A., Vaerwyck, Valentinus , in «Nouvelle Biographie Nationale», t. 6, Bruxelles 2001, blz. 343-345.

© Anthony Demey, Stichting Geo Verbanck, 22.01.2006.

 

terug naar tijdgenoten